Een tangosextet (piano, contrabas, twee violen, twee bandoneóns) is de klassieke bezetting voor kleine kamers: strak en ritmisch, perfect voor dansvloeren. Een ‘orkest típico’ (groot orkest) voegt meer bandoneons en violen toe, vaak ook gitaar, plus een zanger en af en toe wat percussie, waardoor die filmische klank ontstaat die je in historische balzalen hoort.
Hoe onderdelen met dansers ‘praten’:
- Bandoneóns zorgen voor zuchtende melodielijnen, dramatische opbouw en pittige accenten die de veranderingen in het ritme aangeven.
- De violen spelen de melodie of de tremolo-ondertoon die de spanning opvoeren vlak voor een plotwending.
- De piano zorgt voor de harmonie en het ritmische ‘marcato’, en gooit er af en toe schitterende loopjes in die uitnodigen tot speelse versieringen.
- De bas zorgt voor de hartslag; duidelijke passen voelen vanzelfsprekend aan als de bas aanwezig is, maar niet te overheersend.
- De zang maakt de frasering duidelijker; waar de zanger ademhaalt, ademen dansers vaak ook (en pauzeren ze).